![]() |
![]() |
|
Home » Thema's » Juridisch hoekje » Informatief26/11/2007
Oneerlijke handelspraktijken:verboden op Europees niveauDe nieuwe wet op de oneerlijke handelspraktijken, aangenomen op 5 juni 2007, treedt op 1 december 2007 in werking. Zij zet de Europese richtlijn 2005/29, betreffende de oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten, om in Belgische wetgeving. Deze wet verbiedt alle oneerlijke handelspraktijken die het economische gedrag van de consument beïnvloeden. > Een definitie op Europees niveau Een definitie op Europees niveauDe Europese Commissie wil met de richtlijn de verschillende nationale wetgevingen harmoniseren en het begrip “oneerlijke handelspraktijk” definiëren. De talrijke verschillen tussen de nationale wetgevingen verwarren de consument immers vaak: een praktijk die in zijn land als oneerlijk bestempeld wordt, is dat immers niet altijd in het land van de verkoper. Deze verwarrende situatie verzwakt de positie en de juridische zekerheid van de consument en zette de Europese wetgever ertoe aan om tot een gemeenschappelijk begrip te komen over de oneerlijke handelspraktijken. De Belgische handelspraktijkenwet van 14 juli 1991 verbood reeds praktijken strijdig met de eerlijke gebruiken jegens de consument (waaronder o.a. misleidende reclame). Deze wet was echter beknopt en voorzag geen definities. De Europese richtlijn en haar omzetting in Belgisch recht verwoordt de “verboden handelspraktijken” veel duidelijker en gedetailleerder en vermeldt een zwarte lijst van oneerlijke handelspraktijken die hoe dan ook verboden zijn, ongeacht de omstandigheden. Oneerlijke handelspraktijken: misleidend en agressiefEen handelspraktijk in oneerlijk als: De richtlijn hanteert dus 2 cumulatieve voorwaarden, nl. de oneerlijke handelaar en de gemiddelde consument. De nationale rechtbanken kunnen deze begrippen op verschillende manieren interpreteren. Zij dienen dit echter te doen in het licht van de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie. Opmerking: De Belgische wet vermeldt het begrip « gemiddelde consument » niet. Maar de Belgische rechters zullen in de praktijk, wanneer ze moeten bepalen of een praktijk oneerlijk is, waarschijnlijk wel verwijzen naar dit begrip. De richtlijn beperkt zich niet tot het definiëren van de oneerlijke handelspraktijken. Ze onderscheidt 2 categorieën van oneerlijke praktijken (de misleidende en de agressieve handelspraktijken) en heeft zwarte lijsten opgesteld met concrete voorbeelden. Met bedrog de consument misleiden tot een aankoopBij misleidende handelspraktijken geeft de verkoper foute of bedrieglijke informatie aan de consument, waardoor deze in verwarring raakt en aangezet wordt om te kopen. Bijvoorbeeld: wanneer reclame voor een product aanleiding geeft tot verwarring met een ander product. Een andere misleidende praktijk wordt de misleidende omissie genoemd. Hierbij weerhoudt de verkoper essentiële informatie (bijvoorbeeld met betrekking tot de prijs) aan de consument, door ze weg te laten, op dubbelzinnige wijze te verbergen of door de informatie laattijdig te verstrekken. Enkele voorbeelden van misleidende handelspraktijken uit de zwarte lijst:
Met agressieve middelen de consument dwingen tot een aankoopBij agressieve handelspraktijken gebruikt de handelaar intimidatie, dwang of ongepaste beïnvloeding (vanuit een machtspositie) om de consument ertoe aan te zetten zijn product te kopen. Er is sprake van ongepaste beïnvloeding wanneer een verkoper gebruik maakt van de situatie. Dit is bijvoorbeeld zo wanneer een consument die bij hem schulden heeft, uitstel van betaling krijgt op voorwaarde dat hij nog een product aankoopt. Enkele voorbeelden van verboden agressieve handelspraktijken uit de zwarte lijst:
Sectorgebonden richtlijnen primerenDe richtlijn is van toepassing op alle sectoren waarvoor geen specifieke Europese wetgeving bestaat en die afwijkt van de richtlijn. Dit geldt bijvoorbeeld voor timesharingcontracten, waarvoor een specifieke Europese richtlijn bestaat. Wanneer een consument zich het slachtoffer acht van een oneerlijke handelspraktijk bij het afsluiten van een timesharingcontract, moet hij in geval van tegenstrijdigheden tussen beide wetgevingen beroep doen op de verboden praktijken vermeld in de richtlijn over timesharing. De richtlijn over de oneerlijke handelspraktijken is echter steeds van toepassing op lidmaatschappen van vakantieclubs (nochtans vergelijkbaar met timesharingcontracten) aangezien deze niet opgenomen zijn in de richtlijn over timesharing. Sommige consumenten zijn meer kwetsbaarDe richtlijn over de oneerlijke handelspraktijken beoogt de bescherming van de consument. Zij definieert de consument als een natuurlijke persoon die handelspraktijken verricht die buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteiten vallen. Een rechtspersoon, zoals een V.Z.W., een jeugdorganisatie of lokale sportvereniging, valt dus niet onder de richtlijn. Bij de omzetting van de richtlijn op de oneerlijke handelspraktijken heeft de Belgische wetgever de strenge definitie van de consument overgenomen. Die enge definitie geldt enkel in het kader van de oneerlijke handelspraktijken, want in de wet op de handelspraktijken worden de rechtspersonen niet uitgesloten van het toepassingsgebied. Een rechtspersoon die niet handelt in het kader van haar professionele activiteit, kan bijgevolg beroep doen op de Belgische wet, uitgezonderd wat de bepalingen over de oneerlijke handelspraktijken betreft. De Europese richtlijn beoogt in het bijzonder de bescherming van de kwetsbare consument. Sommige personen zijn immers omwille van hun lichamelijke of mentale beperkingen, hun leeftijd of hun lichtgelovigheid, meer vatbaar voor oneerlijke handelspraktijken dan anderen. Zo kan een bejaarde persoon het slachtoffer worden van een praktijk die de gemiddelde consument wantrouwt. Hetzelfde geldt voor kinderen die gemakkelijker geloven wat een advertentie of een verkoper beweert. Daarom voorziet de richtlijn dat bij de beoordeling van handelspraktijken die gericht zijn op een duidelijk identificeerbare groep consumenten, er rekening zal worden gehouden met de kwetsbaarheid van deze groep. Bijvoorbeeld: Oudere mensen zullen zich sneller aangesproken voelen door reclame voor een product dat beweert reumagenezende eigenschappen te beschikken. Om te bepalen of deze reclame misleidend is, zal men niet het gedrag van de gemiddelde consument als maatstaf nemen, maar houdt men rekening met het gedrag van mensen vanaf een bepaalde leeftijd. Lidstaten bepalen de sanctiesDe richtlijn laat elke Europese lidstaat vrij de sancties voor de daders van oneerlijke handelspraktijken te bepalen. De Europese richtlijn benadrukt echter dat de sancties een doeltreffend, evenredig en afschrikwekkend karakter moeten hebben. Aangezien niet alle lidstaten dezelfde sancties voorzien is het belangrijk om, in het geval van grensoverschrijdende geschillen te onderzoeken welk recht van toepassing is. Wanneer is een handelsactiviteit oneerlijk? Uiteindelijk beslist de rechter daarover. Ben je het slachtoffer van een handelspraktijk die jij als oneerlijk ervaart? Neem dan contact op met het ECC. Het kan u adviseren en eventueel begeleiden bij het zoeken naar een minnelijke schikking wanneer de handelaar van goede wil is.
Link: Brochure van de Europese Commissie "Richtlijn Oneerllijke Handelspraktijken". chn/kme/elf ![]() |