Abonneren nieuwsbrief  
Nieuwsbriefarchief  


A A A

Home » Thema's » Reizen » Vliegreizen


29/07/2009

Welke rechtbank is bevoegd voor een geannuleerde vlucht?

Volgens het HvJEG kan de eiser beroep doen op het gerecht van de plaats van vertrek of op dat van de plaats van aankomst

Verwante artikels

Nuttige links

Arrest 9 juli 2009
Hof van Justitie

Vliegreizen
Wetgeving

Op 9 juli 2009 heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen een uitspraak gedaan over de rechterlijke bevoegdheid in een proces naar aanleiding van een annulatie van een vlucht.

Mijnheer R. die in Duitsland woont, boekt bij het Letse Air Baltic een vliegticket van München naar Vilnius. 30 minuten voor vertrek, krijgt hij te horen dat zijn vlucht geannuleerd wordt. Air Baltic stelt hem een alternatieve vlucht voor met een tussenstop in Kopenhagen. Hierdoor komt hij meer dan 6 uur later dan gepland op zijn bestemming aan. Conform met de Europese reglementering eist mijnheer R. een schadevergoeding van € 250 voor de annulering van zijn vlucht. Hiervoor doet hij beroep op een Duitse rechtbank. De rechtbank van eerste aanleg verklaart zich bevoegd en kent Mijnheer R. de schadevergoeding toe. De rechtbank oordeelt dat “luchtvervoerdiensten worden verstrekt op de plaats van vertrek van het vliegtuig”. Air Baltic gaat daarop in beroep. Het hof van beroep verklaart de uitspraak nietig met als argument dat “luchtvervoerdiensten worden verstrekt op de plaats waar de maatschappij die de vlucht uitvoert, haar maatschappelijke zetel heeft”.

Mijnheer R. dient daarop een verzoek tot herziening in bij het Duitse Bundesgerichtshof, dat beroep doet op het Hof van Justitie.

Volgens het HvJEG volstaat het om zich te baseren op de plaats die de nauwste band verzekert tussen de betrokken overeenkomst en het bevoegde gerecht. Het Hof oordeelt dat de plaats waar de betrokken luchtvaartmaatschappij haar zetel of hoofdvestiging heeft, niet de vereiste nauwe band met de overeenkomst heeft. De verrichtingen en handelingen die van daaruit plaatsvinden (o.a. het beschikbaar stellen van een geschikt toestel en gekwalificeerde bemanning) vormen immers logistieke en voorbereidende maatregelen met het oog op de uitvoering van de luchtvervoerovereenkomst en geen diensten waarvan de verstrekking verband houdt met de eigenlijke inhoud van die overeenkomst.


Het HvjEG somt de diensten op die, ter uitvoering van de verbintenissen uit een overeenkomst voor het vervoer van personen door de lucht, worden verstrekt:

  • inchecken en instappen van de passagiers alsmede hun onthaal aan boord van het vliegtuig op de in de betrokken vervoerovereenkomst overeengekomen plaats van vertrek;
  • het vertrek van het toestel op het voorziene tijdstip;
  • het vervoer van de passagiers en hun bagage van de plaats van vertrek naar de plaats van aankomst;
  • de zorg voor de passagiers tijdens de vlucht;
  • het uitstappen van de passagiers in veilige omstandigheden op de plaats en het tijdstip van landing.

Uit deze lijst blijkt dat de enige plaatsen die een rechtstreekse band hebben met deze diensten, die van vertrek en van aankomst van het vliegtuig zijn, met dien verstande dat onder „plaats van vertrek en plaats van aankomst” de plaatsen moeten worden verstaan die zijn overeengekomen in de betrokken vervoerovereenkomst welke is gesloten met één enkele luchtvaartmaatschappij, die de vlucht uitvoert.

In dit opzicht, stelt het HvJEG, hebben ook de plaatsen waar het toestel eventueel een tussenlanding maakt geen toereikende band met de voornaamste uit deze overeenkomst voortvloeiende diensten. Het Hof gaat er immers van uit dat het bij luchtvervoer gaat om diensten die op ondeelbare wijze en als één geheel worden verstrekt vanaf de plaats van vertrek tot op die van aankomst van het vliegtuig.

Samenvattend blijkt uit het arrest van het HvJEG dat de eiser naar keuze de luchtvaartmaatschappij kan dagvaarden voor het gerecht van de plaats van vertrek of voor dat van de plaats van aankomst, wanneer zijn vordering tot compensatie gebaseerd is op een vervoerovereenkomst van de ene lidstaat naar een andere met één enkele luchtvaartmaatschappij die effectief de vlucht uitvoert en zijn grondslag vindt in de Verordening 261/2004. Bovendien behoudt de eiser de mogelijkheid om te dagvaarden voor het gerecht van de statutaire zetel, het hoofdbestuur of de hoofdvestiging van de luchtvaartmaatschappij.

ibe/kme